Theorieboek

Begrippen verlichting

  • Dag - De periode tussen zonsopgang en zonsondergang.
  • Nacht - De periode tussen zonsondergang en zonsopgang.

Dimlicht voer je overdag als het zicht slecht is, ook als je door een tunnel rijdt. Beter kan je overdag altijd met je dimlicht aanrijden. (In de toekomst wordt dit zeker verplicht, de nieuwe auto's worden al uitgerust met dagrijverlchting. Dit betekend dat je de verlichting niet uit kunt zetten.)

  • Grootlicht mag je alleen voeren als het nacht is.

Mistachterlicht gebruik je als het zicht minder is dan 50 meter, als het regent moet je dit NOOIT doen. Zo verblind je jezelf en een ander door de weerspiegeling van de druppels.(prismawerking)

Mistvoorlicht gebruik je bij slecht zicht door byv. sneeuw, mist of regen. Dit kan in combinatie van dim of grootlicht.

Gevarenlichten (alarmlichten) gebruik je bij pech of als je ergens staat waar je onoverzichtelijk staat. Ook mag je deze verlichting gebruiken bij file. Als deze verlichting niet werkt bij pech, moet je een gevarendriehoek plaatsen op minimaal 30meter achter het voertuig.

Aanhangwagens moeten stads en achterverlichting voeren als zij stil/geparkeerd staan.

  • Op de rijbaan
  • Als de aanhanger breder is dan 1.60 meter.
  • Als deze staan langs auto(snel)wegen, parkeerstroken, vluchtstroken, vluchthavens en parkeerhavens.




<< Vorig hoofdstuk - Volgend hoofdstuk >>

 
Aantal Bezoekers